
Suryaputra = Karna
Karna en Arjuna zijn door het noodlot beslist elkaar in de grote broederstrijd (Bratayuda) met de wapens te bestrijden.
Karna en Arjuna zijn altijd elkaars tegenstanders, alleen misschien in de lakon Suryaputra Rabi niet. Hoe komt het dat deze twee helden elkaars vijanden zijn, terwijl zij toch stiefbroers van elkaar zijn.? Hun beider moeder was namelijk Dewi Kunti.
Dit zit namelijk zo:
Toen Dewi Kunti op een zekere dag aan het zonnebaden was, werd zij getroffen door de felle zonnestralen van BATARA Surya, de Zonnegod. Zij werd hierdoor zwanger en krijgt een zoon, die via haar oor geboren werd. Hij werd Karna (=oor) of Suryaputra (zoon van de zon) genoemd. Kunti wilde niets van deze jongen weten en legde hem te vondeling, door in een mandje op de rivier te laten drijven.
Hij werd gevonden door Radea, een wagenmenner uit het rijk Patapralya, die hem als zijn eigen kind opvoedde.
Later toen de Bratayuda zou beginnen, vertelde Kunti dat zij zijn moeder was en vroeg hem of hij de zijde van de Pandawa wilde kiezen. Karna die reeds zijn ja-woord aan de Kurawa’s had gegeven, weigerde dit omdat hij ten eerste niet waardig gevonden werd lid te worden van de Pandawa-clan, en verder omdat hij reeds zijn belofte had gedaan aan de Kurawa met alle eventuele gevolgen van dien.
In de lakon Suryaputra rabi (het huwelijk van Suryaputra) is van bovengenoemde vete geen sprake. In deze lakon hielp Arjuna zelfs zijn halfbroer om een bruid te vinden.
LAKON SURYAPUTRA RABI
In Patapralya heerst koning Radea. Hij heeft twee zoons, Suryaputra (eigenlijk een vondeling) en Suryaniradda en een dochter, Surya(na)wati. Op een zekere dag is de oudste zoon Suryaputra verdwenen.
De vorst achtte voor hem de tijd gekomen om te trouwen, maar Suryaputra wilde niet met iemand trouwen die hij niet zelf “gezocht” had. Op zijn zwerftocht komt Suryaputra aan de voet van een berg waar hij zich aan de ascese overgeeft. Hier vindt Narada (de hemelboodschapper) hem.
Narada was op weg om in opdracht van Batara Endra het Kuntawijaja–wapen aan Arjuna te overhandigen. (Batara Endra is de goddelijke vader van Arjuna, zie vorige afleverig)
Toen Narada Suryaputra daar zag zitten, dacht hij dat hij Arjuna voor zich had en gaf hem het wapen. Zonder iets te zeggen nam Suryaputra het geschenk aan; eenmaal in zijn bezit zei hij dat hij Suryaputra was. Grote ontsteltenis bij Narada uiteraard; hij trachtte het wapen van Suryaputra te ontrukken, maar deze verzette zich daartegen en Narada kreeg alleen maar de schede in handen, waarmee hij terugging naar het godenverblijf.
Suryaputra vervolgde zijn zwerftocht en kwam in Mandraka, waar hij werd belast met de bewaking van prinses Surtikanti, een dochter van vorst Salya en Dewi Setyawati.

Surtikanti Setyawati
Van verschillende zijden kwamen aanzoeken om de hand van Surtikanti. Onder hen Vorst Jayapitana (Kurupati, Suyudana) van Astina. Voorwaarde om met Surtikanti te trouwen is dat de huwelijkskandidaat een bruidsjonker zonder smet of blaam moest meenemen.
Kurupati dacht direct aan zijn neef Arjuna, die zeker bereid zou zijn zijn verzoek in te willigen. Met pracht en praal werd Kurupati door vorst Salya ontvangen.
Voor de bruidegom liet koning Salya een voor hem gereedgemaakt verblijf aanwijzen; de bruidsjonker (Arjuna) werd aan de zorg van prinses Banowati, zuster van Surtikanti toevertrouwd.
In een vertrouwelijk samenzijn van Arjuna met Banowati deelde deze hem mede dat Surtikanti, de aanstaande bruid, intieme omgang had met haar bewaker, ene Suryaputra. Arjuna ging naar de verblijfplaats van dit paar. Eerst trachtte Suryaputra zich te verbergen, maar als dit niet lukte, vluchtte hij uit het paleis. Terstond ging Surtikanti, die kwaad werd, naar Baladewa en vertelde hem dat Arjuna het haar lastig maakte, waarop hij Arjuna voor de koning Salya bracht.
Banowati echter, die verliefd was geworden op Arjuna, verliet hem niet en toen Baladewa zijn verhaal aan haar vader vertelde wat hij van Surtikanti gehoord had, kwam zij met de mededeling voor de dag, dat niet Arjuna, maar Surtikanti schuldig was: zij was het die in haar kamer een minnaar had verborgen. Intussen is deze affaire bekend geworden, dus koos Suryaputra eieren voor zijn geld; hij zal nu officieel en openlijk om de hand van Surtikanti vragen.
Zijn pleegvader Radea echter wilde niets van dit huwelijk weten, want hij had eigenlijk reeds een bruid voor hem gevonden en joeg hem uit het paleis weg. Hij ging terug naar het prinsessenverblijf van Mandraka om bij Surtikanti te zijn.
Arjuna bemerkte dat de indringer terug was gekomen en trachtte hem weer te grijpen maar Suryaputra vluchtte weg naar Petapralya.
Intussen wist Arjuna dat Suryaputra uit Petapralya kwam en dus ging hij vliegensvlug naar Petapralya, waar hij eerder aankwam dan Suryaputra.
Dewi Suryanawati, de zus van Suryaputra, zag iemand haastig het paleis binnenkomen, en denkende dat dit zijn broer was, viel zij hem om de hals.

Dewi Surya(na)wati
Uiteraard liet Arjuna zich dit welgevallen en vergat nu het doel van zijn aanwezigheid in Petapralya. Om langer te kunnen genieten van het samenzijn met Suryanawati gaf hij zich voor door Surtikanti te zijn gezonden om zijn zus voor haar als gezellin te vragen. Deze list lukte en Arjuna nam haar dadelijk mee. Nauwelijks was het paar vertrokken of Suryaputra kwam in het paleis aan. Hij bemerkte wat er gebeurd was en ging het paar direct achterna. Al spoedig had hij hen ingehaald en hij raakte met Arjuna in gevecht en Suryaputra werd ernstig aan de slaap getroffen zodat hij bewusteloos neerviel.
Plotseling verscheen Narada en deze vertelde de strijders dat zij halfbroers zijn. Daar Suryaputra ernstig aan het hoofd gewond was voorzag Narada hem van een helm(topong). Arjuna kreeg het goddelijk bevel zijn halfbroer te helpen zijn wens te realiseren, nl. om de prinses van Madaraka te huwen. De beide jongelingen waren nu niet meer elkaars tegenstanders en gingen samen naar Mandraka. Intussen waren er allerlei personen die verliefd waren op prinses Surtikanti, ook de reuzen-vorst Kala Karna.

Kala Karna
Zijn aanzoek werd afgewezen, dus verzon hij een list om de prinses te schaken. Hij liet zijn lijfbediende in een vermomming het paleis binnen gaan en mengde zich onder de hofdames. Toen zij de kans kreeg. greep zij de prinses en verdween met haar in de lucht. Grote verwarring in het paleis. Koning Salya vroeg Arjuna, die zojuist in het paleis aankwam, hem te helpen.
Deze beloofde de prinses terug te halen onder een voorwaarde dat zij dan met Suryaputra zal trouwen. Met zijn halfbroer en zijn broer Bratasena begaf hij zich naar het rijk van Kala Karna om de geroofde Surtikanti te bevrijden.
Toen vorst Kala Karna het paleis binnenkwam, denkende dat hij de prinses zou ontmoeten, werd hij in een hevige strijd met Suryaputra gedood. Tevens nam hij de regering van zijn rijk Ngawangga over.
Met grote luister werd eindelijk het huwelijk van Suryaputra(Karna) en Surtikanti voltrokken.
Trouwens prinses Banowati werd later (andere lakon) met vorst Kurupati in de echt verbonden, ondanks het feit dat sinds de eerste samenkomst zij nog steeds amoureuze banden met Arjuna had.

Vlnr: Petruk, Bagong, Gareng, Semar
PANAKAWAN
Een wayangvoorstelling zonder de Panakawan is ondenkbaar.De aanwezigheid van deze figuren is zeer essentieel in de lakons.
Panakawan zijn lijfdienaren en vertegenwoordigen de laagste trap van de maatschappelijke ladder. Het zijn gewone mensen uit het volk en dan nog wel mismaakten. Dit is aan hun uiterlijk en hun kleding dan ook goed te zien. Zij dragen alleen een lendedoek en nauwelijks sieraden. Maar vergist U zich niet in hen. Zij bezitten grote wijsheid en geven hun meesters altijd goede raad. Slechts de goeden nemen die raad ter harte en vinden dan uitkomst in netelige situaties. De kwaden luisteren nauwelijks naar hun Panakawan.
De Panakawan die bij de goeden behoren zijn: Semar, Petruk, Gareng en Bagong.
De lijfdienaren van de kwaden zijn: Togog en Sarawita.

Sarawita en Togog
Semar is de vaderlijke vriend van Arjuna en diens broeders, maar voornamelijk van Arjuna zelf. In kritieke situaties is hij altijd als raadgever aanwezig. Semar’s woord is wet voor de Pendawa en altijd zullen zij zijn raad opvolgen.
De dalang omschrijft Semar als “tanpoh wudjud tanpoh rupoh” oftewel vormloos en gedaanteloos. Ook is hij noch man noch vrouw en is hij een personificatie van een godheid (dewa angihdjawantah).

Vlnr: Semar(Ismaya), Togog(Antaga) en Batara Guru(Manikmaya)
Semar gaat bij de wayangvoorstelleing vergezeld van zijn “schaduw” Bagong en zijn twee pleegzoons Gareng en Petruk. Bagong werd door Semar zelf uit zijn schaduw geschapen, toen hij eenzaam op aarde terechtkwam. Petruk is eigenlijk een koningszoon die bij hem een leertijd moet doorbrengen en Gareng is een stuk sprokkelhout, dat een keertje naar Semar werd geworpen en dat hij in de gestalte van Gareng veranderde.
DE GEBOORTE VAN DE GODDELIJKE DRIELING
Eens , lang geleden, in de dageraad van de wereld, verbleef de goddelijke Tunggal in het Oceanenrijk van de Krabbenvorst Rakatatama. Sang Hyang Tunggal was de zoon van Sang Hyang Wenang en de achterkleinzoon van Sang Hyang Noertjahjo (Stralende Glans) van wie de mens later nooit een afbeelding kon of durfde maken:Hij is de Almachtige en is oneindig hoog verheven boven het menselijke voorstellingsvermogen.
Zijn achterkleinzoon, Sang Hyang Tunggal, huwde de Krabbenprinses Rekatawati.
De dag brak aan dat de prinses een kind zou baren en iedereen was blij in het rijk der zeëen. Groot was echter ieders verbazing toen zij niet van een kind, maar van een gouden ei beviel, dat bovendien met grote snelheid van de zeebodem omhoogschoot en zich als een bliksemflits in de lucht verhief.
Op het moment dat dit alles gebeurde, bevond Sang Hyang Wenang zich hoog boven het eiland Java in zijn hemelrijk, waar hij in diepe meditatie was. Hierin werd hij gestoord door de verblindende lichtstraal die voorbijflitste. Hij greep naar het verschijnsel en tot zijn verbazing zag hij een gouden ei in zijn handpalm, dat hij kwaad naar beneden wierp waar het op het eiland kapot viel. Verrast zag Sang Hyang Wenang hoe uit het ei drie jongetjes voortkwamen. Hij gaf deze kinderen de volgende namen: Antaga, die uit de broze schaal voortkwam, Ismaya, die uit het eiwit ontstond en Manikmaja, die uit het eigeel tevoorschijn kwam.
De drieling groeide op tot knappe jongemannen.
Op een zekere dag maakten Ismaya en Antaga ruzie over de vraag wie nu eigenlijk de oudste was. En zij besloten tot het volgende: wie een berg kon inslikken en weer uitspuwen zonder die berg te breken, zou de oudste zijn. Antaga nam de berg in zijn mond, maar de brok was te groot. Zij lippen scheurden in en zijn mond kreeg een wanstaltige vorm. Toen was de beurt aan Ismaya. Met veel moeite slikte hij de berg door, maar kon deze niet meer kwijt. De eens zo knappe jongeling veranderde in een gedrocht. Sang Hyang Tunggal was hevig vertoornd op zijn twee zoons. Hij wees Manikmaja, die zich niet met de twist had ingelaten aan als oudste en als heerser van het hemelrijk en als de Grote Leermeester van de mensheid. Vanaf nu heette Manikmaya Batara Guru. 
Manikmaya was zeer verheugd, dat hij als jongste in het hemelrijk mag verblijven. Van louter vreugde heeft hij de wijze woorden van Sang Hyang Tunggal niet begrepen, dat schoonheid en bevalligheid geen merkteken is van de geest, de ziel en van het karakter mogen zijn, dat het uiterlijke niet mag prevaleren boven het handelen, het verstand en het denken. IJdelheid en bevalligheid hebben geen plaats in de hemel.
Hij lachte zijn beide broers uit en was zeer blij dat hij de enige knappe zoon is. Hij bekeek zich in de spiegel en vond zichzelf zo een voorbeeld van perfecte schoonheid. Dat maakte hem trots en hoogmoedig. Toen hij naar zijn broers keek, wendde hij vol arrogantie zijn hoofd af om hen te laten zien hoe knap hij is en spreidde zijn benen om te tonen hoe slank en welgevallig ze zijn…Deze hoogmoed en aanmatiging bevielen Sang Hyang Tunggal helemaal niet. Als straf bleef zijn hals scheef en zijn linkervoet naar buiten gedraaid.
Antaga werd voor straf naar de aarde gezonden om daar metgezel en raadgever van de slechte mens te worden. Zijn naam was voortaan Togog.
Ismaya werd voor straf eveneens naar de aarde gestuurd. Zijn taak zou zijn: het dienen van de goede mens. Vanaf dat ogenblik heette Ismaya Semar.
Zo zijn de “gedrochten”dus ontstaan.
Wat betekent nu Panakawan?
Pana betekent duidelijke visie, bekwaam; kawan is gezelschap; dus panakawan betekent gezelschap, dat bekwaam is, met een duidelijke visie, en dat goede raad kan geven.
Van de panakawan is Semar de meest bekende, hoewel Petruk de populairste is.
Semar is een samenvoeging van de woorden SEngsem (verleiden, verlokken) en MARsudi (zoeken, doen); dit betekent dus iemand die aangespoord is om goede dingen te doen of te zoeken.
Andere namen van Semar zijn:
1)Badranaya: badra=donkere wolk; naya=gezicht: een bekwame man moet een helder gezicht hebben.
2)Boyagati: boya (eten) symboliseert kennis en gati (echt, eerlijk) betekent eerlijke en correcte kennis. Dus het betekent een wijze man die altijd een echte en correcte les leert.

De 4 panakawans symboliseren ook de 4 wijze lessen van:
1) guru en wetenschap
2) voorbeelden van goede leiders
3) eigen ervaringen
4) goddelijke ingevingen
Zij wonen in het dorp van karang Kabolotan. Bolot betekent menselijke lichaamsvuil: mensen die alleen maar naar materiele rijkdom in zijn leven zoekt zal in moeilijkheden eindigen.
Semar is een zeer dikke man met grote buik en enorme bil en heeft een oncontroleerbare drang om scheten te laten.
Deze figuur heeft verder:
Kuncung Putih: hij is een wijze man, een perfecte bemiddelaar wit gezicht: symboliseert een leraar met een lief en eerlijk gezicht, zijn leerlingen zullen al zijn aanwijzingen opvolgen. Daarentegen zullen de leerlingen een leraar met een zwart gezicht ook al zijn instructies opvolgen omdat zij bang voor hem zijn.
Eén tand: een leraar moet alleen de waarheid spreken
Zwart lichaam: “doe niets verkeerds om je doel te bereiken”
Enorme achterste: iemand met een groot achterste kan comfortabel zitten; dit houdt in dat een ksatria (krijger) vergezeld door Semar al zijn wensen zal verwezenlijken.
Kampuh polong batik:de sarong die hij aantrekt is batik met motief:kampuh polong met 4 kleuren, voorstellende dat er 4 soorten lusten zijn:
rood:amarah – boosheid, als Rahwana’s karakter
geel:supiyah – hebzucht als Sarpakenaka, Rahwana’s zuster
zwart:aluamah – begeerte – begeerte om te eten en slapen als Kumbakarna
wit:mutmainah-heeft geen verlangens zoals heiligdom, in wayang zoals Wibisana.
Iemand moet ten minste deze 4 lusten (verlangens) kunnen harmoniseren voor positieve dingen. Het is moeilijk voor een levende wezen om deze 4 verlangens totaal te kunnen overwinnen.
Welbekende wayang kulit figuren die deze kampuh polong batik dragen zijn:
Anoman, Bima, Antareja en Setyaki.







