Adat

Adat

De letterlijke betekenis van adat is gewoonte of traditie. Adat (afgeleid van het Arabische woord Adah) is de combinatie van (vaak pre-islamitische) sociale leefregels, omgangsnormen en traditionele gebruiken.

Het is het totale pakket van lokale zeden en gewoonten op elk gebied van het leven. De adat schrijft bij de Javanen de omgangsvormen, de zorg voor zieken, de voorouderverering, het huwelijksrecht, het eigendomsrecht en de kleding voor.

Het kennen en vooral het leven naar de adat is inherent aan goede opvoeding en gedrag.

Het is een hele kunst om zich als een Javaan te kunnen gedragen.

Belangrijke richtlijnen zijn:

Tatakrama = beleefde omgangsvormen

Basa(krama) = beleefde taal

Het geheel van deze 2 aspecten noemt men in het Javaans unggah-ungguh.

De uitgangspunten hiervan zijn:

1. in gezelschap zich bescheiden opstellen ten opzichte van de omgeving

2.zich soepel en flexibel gedragen onder gelijken

3.zich ongedwongen en hartelijk gedragen onder goede vrienden

4.(gereserveerd) vriendelijk en geduldig optreden tegen personen van geringer maatschappelijk aazien.

5.beheerst en beleefd optreden tegenover personen met een hogere sociale positie

Het woord Jawa betekent niet alleen het eiland Java in Indonesië, maar ook de Javaanse zeden en gewoonten (de adat) in acht nemen.

Het Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal van Dale 1898 heeft de volgende omschrijving van Javaan:

Het begrip javaan heeft 2 verschillende betekenissen: 

  1. javaan – JAVAAN, m. (…vanen), inboorling van het eiland Java.
  2. javaan – JAVAAN, m. (…vanen), meesterknecht, onderbaas.

 

Het Javaanzijn is niet alleen de taal spreken en uitzien als een inwoner van Java, maar heeft ook te maken met je gedragingen volgens de Javaanse adat.

Beleefheidsvormen:

De adat (ongeschreven regel, geboorterecht, traditie) bij de Javanen schrijft voor, dat men oudere mensen (dan jijzelf) e/o onbekenden niet zondermeer bij de voornaam aanspreekt. Men vindt dat zeer ongepast, en “not done” als men dit fenomeen NJANKAR hanteert. Njankar betekent zoiets als kleinerend, familiair en uit de hoogte. Ook mensen die hiërarchisch boven je staan mag je ook niet “njankar”en.

Misschien vinden jongelui dat zeer ouderwets (sommige kinderen noemen hun ouders bij de voornaam), maar traditie, indien goed toegepast, heeft niets met oubolligheid te maken. Tradities zijn gebruiken en gewoonten die van de ene generatie op de andere worden doorgegeven en bij de Javaan leeft dat (gelukkig) nog steeds.

Bijvoorbeeld: je oom John (oudere broer van je vader) noem je Siwa John en je tante (jongere zus van je moeder) noem je Bibi (of bih). Je neef, zoon van je Siwa, noem je Kang(kakang). Ook oudere mensen noem je Pak(bapak) of Mbah en ‘Bu(ibu) of Mbah. Zekerheidshalve spreek je een onbekende man aan met Kang (kakang, indien hij er ietsje ouder uitziet dan jij), Mang of (paman, indien hij jonger lijkt dan je vader), Wa (Siwa, indien hij/zij ouder lijkt dan je vader) of Pak (bapak, indien hij er oud uitziet). Pak/’Bu of Mbah is de algemene beleefdheidsvorm als je oudere mensen aanspreekt, maar duidt ook je respect aan tegenover de man of vrouw. Ook spreekt men oudere mensen vaak in het derde persoon enkelvoud aan. Het woord sampéyan betekent nl. niet alleen U, maar is een krama-woord voor voet. Dus als je bv Mbah Dipo vraagt waar hij heen gaat zeg je ook: Mbah Dipo ajeng teng pundi? Ipv Sampéyan ajeng ing pundi, Mbah?