TAYUP IN SURINAME

TAYUP IN SURINAME

“Over de beeldvorming van de Ledhek vooral op de plantages in het district Commewijne- Suriname omstreeks 1940 – 1965.”

Door: Rahardjo

Doel van dit schrijfstuk is vooral de Surinaamse variant van tayup te beschrijven. Met name, over de beeldvorming van de Ledhek. Maar eerst een korte informatie over deze dansvorm in Indonesië; oorsprong van de Tayup in Suriname. Aan de hand van de constateringen e/o conclusies van enkele onderzoekers (m/v) worden deze verwoord.

Tayup in Indonesië

“Over tayup in Indonesië is veel geschreven (Mayer 1897). De beschrijvingen zijn echter niet erg diepgaand. De meest recente publicatie hierover is van Clara van Brakel-Papenhuyzen, maar zij beschrijft deze dansvorm zoals die te zien was in de jaren vijftig. Robert Hefner heeft niet zo erg lang geleden (midden jaren tachtig) op Oost-Java onderzoek gedaan over tayup geschreven. Hoewel deze dansvorm nog populair is op Oost-Java, is ook daar langzamerhand sprake van achteruitgang (Hefner 1987).

Tayup komt eigenlijk op heel Java en in een aantal kustgebieden van andere Indoneiische eilanden voor (Van Brakel-Papenhuyzen 1905:545; Hefner 198775). Aan en om de vorstenhoven Yogyakarta en Surakarta op Midden-Java was vroeger sprake van een beheerste en verfijnde vorm van tayup. Tegenwoordig is dit niet meer het geval. Op het platteland echter is deze dansvorm nog niet uitgestorven. Ze wordt niet tot de verfijnde danssoorten gerekend, omdat de mannen van het platteland veel moeite hebben tijdens het dansen hun handen thuis te houden. Vooral na een paar glazen alcoholische drank schiet die hand uit naar de meest uitnodigende delen van het lichaam van de ledhek (Van Brakel-Papenhuyzen 1995:553).

Niet alleen Javanen maar ook Chinezen organiseerden tayup feesten. Op een Chinese tayup danste de ledhek meestal alleen want veel Chinese mannen konden de dansbewegingen niet onder de knie krijgen. Wanneer onder de gasten ook Javanen waren, was haar avond een stuk levendiger en voordeliger, want ze had mannen tegenover zich die echt dansten en ze kreeg wat extra geld toegestopt (Van Brakel-Papenhuyzen 1995:556/7).

Volgens Geertz die in de jaren vijftig onderzoek deed in het gebied rond Paré (rond Kediri) is de tayupan aan het uitsterven; het zou te duur zijn voor de abangan (nominale moslim). Ze kunnen bedragen die gestort moeten worden niet meer opbrengen. Daardoor gaan weinig mensen no naar het feest, merkt Geertz op. Bovendien waren ook bezwaren gerezen tegebn het openlijk overhandigen van geld (Geertz 1960). Over de oorsprong-geschiedenis van tayup op Java doen verschillende verhalen de ronde. Aan de ene kant is tayup van goddelijke oorsprong en aan de andere kant is zij van zeer menselijke origine. Aanhangers van de menselijke oorsprong menen dat tayup is ontstaan als een manier om de mensen te vermaken, ‘for fun’dus (Van Brakel-Papenhuyzen 1995:545/6).

Over de functie van tayup in de Javaanse samenleving zijn onderzoekers eenduidiger. Ten tijde van het onderzoek van Hefner in de jaren tachtig op oost Java, maar ook in de periode dat Soedarsono veldwerk deed in Gunung Kidul (Zuid-Java) in de jaren zestig, was tayup een vast onderdeel van de jaarlijkse bersih desa (rituele schoonmaak van het dorp). Zonder de dans van de ledhek dacht men, zou de oogst mislukken. De dorpsbewoners zouden ziek worden als er niet gedanst werd, ze zouden daardoor niet op het land kunnen werken met als gevolg een mislukte oogst (Hefner 1987:75; Soedarsono 1968. Een andere functie van tayup heeft te maken met het bestaan van een traditionele samenhang tussen de dans als vruchtbaarheidsrite en een smeekbede om voorspoed. Van deze dans tussen man en vrouw zouden krachten uitgaan die bevorderlijk zijn voor de landbouw (Hefner 1987:75; Holt 1967; Soedarsono 1976:14, 39, 144, 194; Pigeaud 1938).

In Kabupaten (regentschap) Sleman bij Yogyakarta (Midden-Java) bijvoorbeeld had eens een zware storm alle gewassen vernield. De bewoners van Sleman zagen hierin een waarschuwing van hogerhand. Sinds dat jaar wordt voor het welzijn van de streek elk jaar een tayupan gehouden aldus Soedarsono (1976).

Een andere reden waarom tayup gehouden wordt verwoord Snouck Hungronje (1924:239) aldus: ‘Om het even, waaraan eene ziekte toegeschreven mag worden, altijd beschouwt men eene gelofte (oedjar, kaoel of nadar) als een middel om beterschap te verkrijgen. De ngabangan, zij, die van de godsdienst weinig weten, doen veelal de kaoel om na beterschap een tayuban of een wajang partij te geven of met de herstelde (als het een kind betreft) de pasar te bezoeken en daar allerlei voor hem/haar te kopen’.
(ujar, kaul, nadar = gelofte inlossen bij vervulling van een wens)

Voor Geertz (1960:299) is tayup niets anders dan een gecombineerde drank- en dansfeest. Hogerhand komt hier niet aan te pas. De ledhek (danseressen) zouden vrijwel altijd prostituées zijn.

Hoewel tayup op heel Java voorkomt wordt voor een nadere beschrijving van deze cultuurvorm de publicatie van Robert Hefner over Oost-Java gebruikt. Hij geeft namelijk een zeer levendige beschrijving van een opvoering. De tayup die beschreven wordt is waargenomen in het gebied ten oosten van de stad Malang: in de districten Malang, Pasuruan, Probolinggo en Lumajang, waar deze uitvoeringskunst toentertijd (jaren tachtig) nog vaak te zien was. Hefner is van mening dat het aantal danseressen dat optreedt een aanduiding is van de financiële status van de feestgever (Hefner 1987: 77, 79). De ledhek op Oost-Java wonen over het algemeen in de stad; geen dorpsmeisjes dus. In dit geval Blitar, Ponorogo, Mojokerto of Zuid-Malang. De carrière van een ledhek begint rond haar vijftiende en eindigt meestal rond het vijfentwintigste jaar. Veelal wordt dit beroep als nevenactiviteit uitgeoefend. Aan dit beroep zijn aardig wat onkosten verbonden, onder andere het jaarlijks inschrijfgeld te betalen aan het Departement van Cultuur, vergoedingen betaald aan zowel het gamelanorkest als aan de dansleider die haar vergezelt en tenslotte de uitgaven aan kleding en juwelen die vernieuwd moeten worden. Desondanks is een lèdhek in staat een aardig inkomen te verwerven, zelfs veel groter dan een werkende vrouw uit een stedelijk middenklasse milieu (Hefner 1987:77, 79). “

Bron: Tayup en Janggrung in Suriname. Een Javaanse dansvorm. Sylvia Gooswit & Wonny M. Karijopawiro. Afdeling Cultuurstudies, Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Paramaribo, Suriname. 1997.


TAYUP IN SURINAME

Inleiding
“Afgaande op de aankondigingen via de radio en het aantal uitnodigingen en mededelingen van de ledhek zelf zou gedacht kunnen worden dat tayup nog redelijk populair is in Suriname. Echter vanaf 1990 is het aantal actieve ledhek sterk afgenomen. Slechts twee ledhek treden nog op, maar dan haast elke week. In de jaren zestig en zeventig was nog een redelijk aantal danseressen actief, zodat haast in alle districten wekelijks een tayup georganiseerd werd, soms zelfs twee tegelijk (Suparlan 1976).”

Bij jongeren begon rond de jaren zeventig de belangstelling voor tayup af te nemen. Hoewel ze niet graag naar dit feest gingen, was het moeilijk onder de uitnodigingen uit te komen omdat een tayup meestal werd gehouden ter markering van belangrijke overgangsrituelen zoals een besnijdenis, een huwelijk, een verjaardag, maar ook bij herstel na een langdurige ziekte.

Een van de redenen voor deze afnemende belangstelling kan liggen in de populariteit sinds de jaren zeventig van moderne Javaanse muziek. In 1973 bezocht een beroemde Javaanse zanger uit Indonesië, Mus Mulyadi, Suriname. Zijn liederen werden door de jonge generatie geïmiteerd. Door Javaanse muziekgroepen werden ze gespeeld op Javaanse jogèt sikep (ook wel kelonan ngadek genoemd) feesten. Van toen af is de moderne Javaanse muziek erg populair geworden (Suparlan 1976:199). Op vele bruiloften en verjaardagsfeesten vooral in Paramaribo, is jogèt sikep een normaal verschijnsel.

Een andere reden voor de gestage achteruitgang van de belangstelling voor tayup is de toenemende invloed van de Islam vanaf de jaren zeventig. Het personeel vaan de Indonesische ambassade in Paramaribo heeft zich al sinds de vijftiger jaren ingezet om het onderricht in de islamitische leer te bevorderen (Suparlan 1976:197). In het verleden werd de islamitische zendingsdrang in verband gebracht met het verwerven van politieke macht (Derveld 1982:42).
In de jaren negentig zijn wereldwijd duidelijk activiteiten merkbaar van fundamentalistische georiënteerde Islam broederschappen, die op een nadrukkelijke manier moslim gelovigen wijzen op de leefregels van hun geloof.

Ook in Suriname wordt steeds minder ruimte gegeven aan eigen culturele uitingen. De leefregels waaraan moslims zich moeten houden zijn die welke door Arabische voorgangers gedicteerd worden. Tenslotte kan als reden van achteruitgang ook genoemd worden de verwestersing van Javaanse jongeren vooral in Paramaribo. Verwestersing in die zin dat steeds minder jongeren de Javaanse taal goed kunnen spreken.

Ondanks de sombere vooruitzichten worden nu nog (midden jaren negentig) tayup georganiseerd. Voor het bijwonen van een tayup worden gasten persoonlijk uitgenodigd. Dat kan schriftelijk of mondeling gebeuren door middel van een ulem. Schriftelijke uitnodiging heeft een specifieke vorm. De mondelinge uitnodiging wordt of persoonlijk gedaan of via de radio. Van elke genodigde die de tayup bijwoont wordt een geldelijke bijdrage verwacht. Het is gebruikelijk dat de genodigde wanneer hij opgeroepen wordt om te dansen eerst zijn geldelijke bijdrage afgeeft en daarna pas daadwerkelijk gaat dansen met de ledhek. Van elke sumbangan (gift) wordt een schriftelijke aantekening gemaakt.”

Bron: Idem geschreven door Sylvia M. Gooswit & Wonny M. Karijopawiro, als boven bij inleiding tayup in Indonesië.

TAYUP IN SURINAME met name over de beeldvorming van de ledhek vooral op de plantages in het district Commewijne- Suriname omstreeks de jaren 1940- 1965.

De eerste tayup begon voorzichtig op de plantages Mariënburg en Zoelen. Enkele jaren later op de plantages Voorburg, Wederzorg, Rust & Werk, Hecht en Sterk (Storkoe), Reijnsdorp (Bakkie), Alliance, Meerzorg en Peperpot. Op Moengo en Paramaribo. Met name de plantages aan de overkant van Mariënburg waren in die periode ver van elkaar en over het algemeen ook te houden aan de strikte regels van de Plantage-eigenaren/directeuren. Zo kregen diens plantage contractarbeiders en gezin zonder geldige redenen niet hun kennissen op de andere plantages bezoeken. Dus, wanneer er sociale of persoonlijke feesten in hun eigen plantages werden georganiseerd of gehouden waren de uitgenodigden de eigen Javaanse gemeenschap van hun plantage(s). En slechts geringe uitzonderingen uit andere plantages in de buurt. Bijvoorbeeld, sociaal-maatschappelijke aangelegenheden zoals: houden van slameten voor bepaalde officiële gebeurtenissen zoals Bakda (uitspraak Boddoh) viering na einde Ramadan of overlijden van mede plantage bewoners of amòng amòng bij geboorte van baby’s of herdenken van verjaardagen. Vonden normaal plaats en ook aangenaam gevonden door de Javaanse gemeenschap op hun eigen woon- en werk plantages.

Maar een tayup feest was een heel ander verhaal en belevenis, vooral voor de jonge volwassen mannen. En niet te vergeten over de ‘opkomende bijgedachten en indrukken van hun echtgenoten – wellicht bewust of onbewust. De vrouwen konden een andere beeldvorming van de verschijning en optreden –danskunst en acties van de ledhek. Met name welke indruk de ledhek achtergelaten bij hun mannen/echtgenoten.

Jav-ned woordenboek van Albeda en Pigeaud;
Tayub = danspartij waarbij(professionele) danseres(sen) mannen uit het publiek ten dans vraagt(vragen)
Ledhek = dansvrouw, afgeleid van leledhek = sarren om te prikkelen