Het ontstaan van het Javaanse alfabet (hanacaraka) of De Legende van Ajisaka.
(Bewerkt door Basuki)
Het woord alfabet (=letters van een spellingsysteem) is gevormd door samentrekking van de eerste 2 letters van het Griekse alfabet, nl. ALPHA EN BÈTA.
Het Javaans woord voor alfabet is DENTAYWANJANA.
Het Javaanse alfabet wordt ook wel de HANACARAKAof layang carakan(spelboekje) genoemd.
HANACARAKA is de eerste zin van het gedicht volgens onderstaande legende.
(Woord = aksara, zin=ukara, regel =garis)
Het verhaal van Ajisaka is een legendarische Javaanse folklore. Het is het verhaal van een jonge man genaamd Ajisaka, die in een plaats Pulo MAJETI (Javaans: eiland) woonde. Ajisaka was niet alleen knap en verstandig, maar hij was ook krachtig. (Het woord MAJETI is een acroniem van: a: MA=ketrima = dankbaar aanvaard) b: JET= grenjet = hevig verlangen c: TI = pangesti = plechtig gebed)
Ajisaka is dus een man met hevig verlangen en plechtig gebed die door God is geaccepteerd.
Hij had twee bedienden – Dora (soms Dara genoemd) en Sembada. Beide bedienden waren zeer loyaal en trouw aan hun meester. Op een dag bereidde Ajisaka zich voor om te reizen om meer van de wereld zien. Hij vroeg Dora om hem te begeleiden op zijn avontuur. Sembada werd bevolen om in Pulo Majethi te blijven en zijn kostbare magische keris Ajisaka ’s (Javaanse traditionele wapen) te bewaken.
” Je moet het goed bewaren en je moet het aan niemand geven, maar slechts aan mezelf, ” beval Ajisaka zijn dienaar Sembada . Het woord van de meester was bevel, dus beschouwde Sembada het als zijn verantwoordelijkheid de keris met hand en tand te bewaken. Kort daarna begonnen Ajisaka en Dora hun avontuur. Ze kwamen bij een koninkrijk genaamd Medhangkamulan. Ondanks dat het koninkrijk enorm groot en rijk was, was het ongewoon rustig, om niet te zeggen dat het op een dood koninkrijk leek. Op de vraag waarom antwoordden de dorpelingen dat de regerende koning – zijn naam is Dewatacengkar – een vreemde, angstaanjagende ‘ hobby ‘ had, nl. het eten van mensenvlees. Veel van de dorpelingen waren reeds opgegeten door de koning. Toen Ajisaka aankwam, was er een andere dorpsbewoner gevangengenomen door het leger van de koning. Popelend om de dorpeling te redden, vertelde Ajisaka het leger om de dorpeling niet mee te nemen. Hij wilde wel in diens plaats bij de koning gebracht worden.
Voordat de koning hem opat had Ajisaka om één ding gevraagd. “U kunt me als uw voedsel opeten maar alleen als u me een stuk land zou willen geven, zo groot als dezelfde lengte als mijn tulband. ” Daar kunnen mijn overgebleven botten dan begraven worden.”
Schaterachend antwoordde Dewatacengkar: ” Dat zou dus maar een klein stukje land zijn. Ik kan je zelfs meer geven dan wat je vraagt. “
Aldus begon Ajisaka zijn tulband af te wikkelen. Hij pakte de ene kant, de andere kant werd gehouden door de koning. Vreemd: de tulband schijnt geen einde te hebben; hoe meer Ajisaka trekt, hoe langer het werd. En ja, de koning moest blijven bewegen, naar achteren lopen om het land met de tulband te meten.
De koning bleef achteruitlopen totdat hij uiteindelijk de kust bereikte. Ajisaka gaf de tulband een flip en maakte dat de koning in het water viel. Zodra de koning in het water viel, veranderde hij in een witte krokodil (bajul putih) voor de rest van zijn leven.
Na de dood van koning Dewatacengkar, werd Ajisaka toen tot koning van het Medhangkamulan koninkrijk gekroond. Hij regeerde met wijsheid en was vrijgevig.
Op een dag beval Ajisaka zijn dienaar Dora om terug te gaan naar Pulo Majethi om zijn keris die hij eerder had toevertrouwd aan Sembada op te halen. Zoals een trouwe dienaar betaamt, vertrok Dora naar Pulo Majethi .
Bij aankomst op het eiland vertelde Dora Sembada wat hij kwam doen.
” De meester had mij opgedragen om de keris te halen, ” zei hij.
” Nee “, antwoordde Sembada, ” Het is mijn plicht om de keris te bewaken en hem aan niemand te overhandigen, enkel en alleen aan de meester zelf. En ik zal dat doen totdat de meester zelf komt om het te halen. “
Beiden waren standvastig in hun belofte aan de meester. Dora bleef aandringen om de keris, terwijl Sembada , trouw aan de meester zoals hij was, bleef volhouden en weigerde om de keris af te staan.
Er ontstond een grote woordenwisseling die uitmondde in een furieus gevecht. Omdat ze allebei dezelfde kracht en vaardigheden hadden, dolf niemand het onderspit. Uiteindelijk hadden ze elkaar met hun eigen kerissen gedood.
Het nieuws over de dood van de bedienden bereikte ook Ajisaka. Hij was er kapot van, vanwege het verdriet over het verlies van zijn twee trouwe dienaren, maar ook omdat hij zich schuldig voelde toen hij besefte dat de dood, in sommige opzichten, veroorzaakt werd door zijn eigen misrekening in het geven van opdrachten aan de twee bedienden.
Om de twee bedienden te eren, schreef hij een gedicht, dat later de basis is voor de Javaanse letters
.
Het gedicht leest als volgt:
ha -na – ca – ra – ka : er waren twee bedienden / boodschappers
da – ta – sa – wa – la : ze vechten met elkaar
pa – dha -ja – ya – nya : [ als ze waren van ] dezelfde sterkte
ma – ga- ba – tha – nga : [ zij ] beiden overleden

